Interesse?

Wenst u meer nieuws, basisinformatie en sectorinformatie over arbeidsrecht, socialezekerheidsrecht en loonfiscaliteit?




Verplichting voor ondernemingen om een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem in te voeren waarmee de dagelijkse arbeidstijd kan worden geregistreerd

Commentaar op rechtspraak - 11/08/2020
-
Auteur(s): 
Terra Laboris


In een arrest van 22 mei 2020 brengt het arbeidshof van Brussel de rechtspraak van het Hof van Justitie in herinnering betreffende de verplichting van de werkgever om in de onderneming een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem op te zetten dat toelaat de arbeidstijd van elke werknemer te registreren, een verplichting die voortvloeit uit richtlijn nr. 2003/88/EG en uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Voorwerp van het geschil

Bij het arbeidshof werd een hoger beroep aanhangig gemaakt tegen een vonnis van de arbeidsrechtbank van Leuven van 15 februari 2018 (AR 17/3/A). Het heeft twee arresten geveld, het eerste op 28 juni 2019 en het tweede op 22 mei 2020, een arrest waarin het haar bevoegdheid uitput.

Het arrest van 28 juni 2019

Dit arrest heeft uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en bepaalde posten onderzocht die het voorwerp uitmaken van het hoger beroep van de vennootschap, ex-werkgever van de oorspronkelijke eiseres. Het heeft de kwestie van het definitieve bedrag van de compensatoire opzeggingsvergoeding die aan laatstgenoemde toekomt, geregeld. Het heeft eveneens een provisioneel bedrag van 1 euro toegekend gelet op de ontstentenis van outplacementaanbod door de werkgever, alsook voor een contractuele bonus.

Het heeft de debatten echter heropend wat overuren betreft (34), om de partijen toe te laten hun standpunt te laten gelden betreffende de vraag of er binnen de vennootschap – zoals verplicht – een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem bestond dat toelaat de dagelijkse arbeidsduur van elke werknemer te registreren en, indien dit systeem zou ontbreken, de gevolgen die eruit moeten worden getrokken.

Bijgevolg blijft in hoofdzaak een kwestie van overuren ter discussie, voor een bedrag dat de geïntimeerde vaststelt op 1.275 euro bruto.

Het arrest van 22 mei 2020

Aangezien het hof nauwkeurige vragen heeft gesteld aan de vennootschap betreffende deze punten, benadrukt het eerst de ontstentenis van reactie van de vennootschap-appellante op zijn vraag, aangezien een kalender van instaatstelling werd bepaald in het eerste arrest. Het stelt vast dat deze ter zitting heeft gevraagd om stukken te mogen overleggen en haar standpunt uiteen te zetten wat de gestelde vragen betreft, wat het hof heeft geweigerd. Het benadrukt de kennelijke ontstentenis van medewerking van de werkgever aan de bewijsvoering en herinnert eraan, verwijzend naar een arrest van het Hof van Cassatie van 12 januari 1998 (Cass., 12 januari 1998, R.W., 1998-99, 1144), dat de rechter het oneerlijke gedrag van een van de partijen kan bestraffen en de vordering kan inwilligen op basis van een feitelijk vermoeden afgeleid uit de weigering van deze partij om mee te werken aan de bewijsvoering.

Het hof verwijst, betreffende het begrip arbeidstijd, eveneens naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, Grote Kamer, 14 mei 2019, zaak nr. C-55/18, FEDERACIÓN DE SERVICIOS DE COMISIONES OBRERAS t/ DEUTSCHE BANK SAE) dat werd gewezen in het kader van richtlijn nr. 2003/88/EG, waarvan het de overweging 60 overneemt: “(…) om de doeltreffendheid te waarborgen van de in richtlijn 2003/88 opgenomen rechten en het in artikel 31, lid 2, van het Handvest opgenomen grondrecht, moeten de lidstaten aan werkgevers de verplichting opleggen om een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem op te zetten waarmee de dagelijkse arbeidstijd van iedere werknemer wordt geregistreerd”.

Het hof herinnert eraan dat het, zonder zijn arrest van 28 juni 2019, de partijen uitnodigde om een standpunt in te nemen over de vraag of binnen de vennootschap-appellante een dergelijk systeem bestond, dat toelaat de dagelijkse arbeidstijd van elke werknemer te registreren, alsook de gevolgen die eruit moeten worden getrokken bij ontstentenis van invoering van een dergelijk systeem.

Aangezien de vennootschap geen standpunt heeft ingenomen en de werkneemster pleit dat er geen enkel systeem bestond binnen die vennootschap, verwijst het hof nog naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 6 oktober 2014 (Cass., 6 oktober 2014, nr. S.10.0041.F), dat eraan herinnerd heeft dat alle partijen moeten meewerken aan de bewijslevering. Het hof verwijst naar de rechtsleer (J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, Antwerpen – Oxford, 500, nr. 1084-1085), die stelt dat de bewijslast niet moet afhangen van een bijverschijnsel van de rechtspleging, naargelang men eiser of verweerder is, maar dat elke procespartij de bewijselementen moet leveren waarover zij beschikt. De rechter moet in het kader van de verdeling van het bewijs rekening houden met de vraag welke partij het vereiste bewijs het beste kan leveren.

Het hof besluit bijgevolg dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 mei 2019 blijkt dat de werkgever de verplichting had om een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem in te voeren om de dagelijkse arbeidstijd van elke werknemer te registreren. Aangezien hij dit niet heeft gedaan, moet de werkgever de uren bewijzen die effectief werden gepresteerd en, aangezien de eiser een bepaald aantal uren aanvoert, bewijzen dat deze niet werden gewerkt. Aangezien de vennootschap geen enkel element aanbrengt betreffende deze twee laatste punten, willigt het hof de vordering van geïntimeerde in.

Het hof beslecht nog meer gerichte vragen (vakantiegeld, achterstallen).

Belang van de beslissing

Het hof behandelt in dit korte arrest twee zeer belangrijke vragen, de ene betreffende de bewijsvoering en de andere betreffende de verplichtingen van de werkgever die voortvloeien uit de Europese reglementering.

Wat het bewijs betreft, wordt traditioneel aanvaard (behoudens afwijkende regeling) dat het aan de eiser staat om zijn beweringen te bewijzen. De rechtsleer waarnaar het hof verwijst, is echter van oordeel dat men zich niet kan steunen op de hoedanigheid van eiser of verweerder van een partij om de verplichting om de elementen van de vordering te bewijzen uitsluitend ten laste te leggen van de eerste partij. Volgens deze auteurs kan de vraag naar het bewijs niet worden overgelaten aan een onzeker element, namelijk de hoedanigheid van eiser of verweerder in het geding. Zij pleiten voor een verdeling van de bewijslast, waarbij elke partij de feiten moet bewijzen die zij het beste kan bewijzen.

Het Hof van Cassatie had in dit opzicht in herinnering gebracht in een arrest van 6 oktober 2014 waarvan sprake in het arrest van het arbeidshof dat alle partijen moeten meewerken aan de bewijsvoering, aangezien artikel 870, Ger. W., bepaalt dat elke partij de bewijslast draagt van de feiten die zij aanvoert.

In een arrest van hetzelfde arbeidshof (Arbh. Brussel, 24 november 2017, AR 2016/AB/851 – eerder becommentarieerd), hadden wij deze doctrinaire stelling vermeld, waarnaar het arbeidshof had verwezen, aangezien het een kwestie van aanbreng van cliënteel betrof. In het geval dat toen werd becommentarieerd, betwistte een vennootschap dat de klanten die werden vermeld op een lijst die door een handelsvertegenwoordiger werd overgelegd, door hem aangebrachte klanten zijn, en dit door korte vermeldingen, zoals het feit dat het thans geen klant meer zou zijn, dat hij al klant was op het ogenblik van de indiensttreding van de vertegenwoordiger, of dat hij in werkelijkheid door iemand anders werd aangebracht. Aangezien geen enkel element werd overgelegd ter staving van deze betwisting, had het hof de vordering van betrokkene ingewilligd op basis van de lijst die hij had overgelegd en waarvan werd geoordeeld dat ze niet ernstig betwist was.

In de zaak die het voorwerp heeft uitgemaakt van het arrest van 22 mei 2020 krijgt de besproken vraag een andere dimensie, wat de verplichting betreft die vermeld wordt in de Europese richtlijn betreffende de arbeidstijd en het arrest dat met toepassing daarvan werd gewezen door het Hof van Justitie op 14 mei 2019 (HvJ, Grote Kamer, 14 mei 2019, zaak nr. C-55/18, FEDERACIÓN DE SERVICIOS DE COMISIONES OBRERAS t/ DEUTSCHE BANK SAE – eerder becommentarieerd). Volgens het arbeidshof moet de verplichting in richtlijn nr. 2003/88/EG en in het Handvest die de staten oplegt om de werkgevers te verplichten een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem op te zetten dat toelaat de dagelijkse arbeidstijd van elke werknemer te registreren concreet worden uitgevoerd. Aangezien bewezen is dat een dergelijk systeem niet bestaat, leidt het hof daaruit af dat de vordering moet worden ingewilligd op basis van het feitelijke vermoeden dat voortvloeit uit de weigering van de betrokken partij om loyaal mee te werken aan de bewijslevering.

Deze beslissing kan dus een precedent scheppen, aangezien het, zelfs indien het Europese recht een verplichting oplegt aan de lidstaten – een verplichting die in casu niet geconcretiseerd is – een rechtstreeks toepasselijke regel betreft waarop een eiser een beroep kan doen om zijn recht te doen gelden.
Bron:  Arbh. Brussel, 22 mei 2020, AR 2018/AB/424