Interesse?

Wenst u meer nieuws, basisinformatie en sectorinformatie over arbeidsrecht, socialezekerheidsrecht en loonfiscaliteit?


Vergroening van het wagenpark: aanpassingen in aanloop naar het mobiliteitsbudget

Nieuws - 15/07/2021
-
Auteur(s): 
Bernard Mariscal


We zetten onze studie van het voorontwerp van wet op de vergroening van het wagenpark voort met de wijzigingen die met het oog op de aanpassing van het mobiliteitsbudget vooropgesteld worden.

Het mobiliteitsbudget werd ingevoerd als alternatief voor de bedrijfswagen. Het steunt op drie pijlers waartussen de werknemer vrij mag kiezen. De inhoud van elke pijler heeft zijn eigen sociaal en fiscaal regime.

Het mobiliteitsbudget bestaat sinds twee jaar. Volgens de memorie van toelichting tonen recente cijfers aan dat het nog niet echt ingeburgerd is bij de werkgevers en werknemers en dit om verschillende redenen, waaronder de (veronderstelde) complexiteit om de huidige reglementering in te voeren en toe te passen. Toch staat het vast dat steeds meer werkgevers het nut ervan inzien en overwegen om het in te voeren.

Het komt er dus op aan om het mobiliteitsbudget te verfijnen en te verbeteren.

Uitbreiding van de 2e pijler: duurzame vervoermiddelen

Zachte mobiliteit
Onder “zachte mobiliteit” verstaat men alle voertuigen die niet sneller dan 45 km/u rijden.

Momenteel mag het mobiliteitsbudget besteed worden aan de aankoop, huur, leasing, onderhoud of verplichte uitrusting van die vervoermiddelen. Voortaan komt daar ook de financiering van die vervoermiddelen bij. Op die manier kunnen bijvoorbeeld ook “fietsleningen” in het mobiliteitsbudget opgenomen worden.

Ook de financiering van de stallingkosten van die voertuigen via het mobiliteitsbudget zal mogelijk worden. Het gaat daarbij om kosten voor stalling, al dan niet overdekt, van bijvoorbeeld een fiets, bromfiets of elektrische scooter. Er moet geen verband zijn met het openbaar vervoer. Zo wordt het mogelijk om betalende parkeerplaatsen voor fietsen te financieren voor burgers die geen privéplaats hebben om hun fiets veilig bij hen thuis (voor de deur) te stallen.

Daarnaast zal de uitrusting van die vervoermiddelen niet langer verplicht zijn. Voortaan zal vooral de uitrusting met het oog op de bescherming van de bestuurder en zijn passagiers tellen, alsook de uitrusting om hun zichtbaarheid te verbeteren. Daarom zal het mobiliteitsbudget ook de financiering van fietshelmen en fluorescerende hesjes omvatten.

Tot slot wordt een nieuwe categorie van voertuigen opgenomen in de zachte mobiliteit: de driewielers van categorie L5e-A van de Europese verordening nr. 168/2013 en de zware vierwielers voor personenvervoer opgenomen in de categorie L7e-CP van diezelfde verordening op voorwaarde dat ze elektrisch aangedreven worden. De memorie van toelichting verduidelijkt dat hier vooral voertuigen beoogd worden die, onder bepaalde voorwaarden, gelijkwaardige dienstprestaties aan een autovoertuig (vierwieler) of motorfiets (gemotoriseerde driewieler) bieden, zoals de mogelijkheid om meerdere personen te vervoeren, een snelheid hoger dan 45 km/u of een gesloten passagiersruimte en daarbij een veel betere energie-efficiëntie bieden vanwege hun beperkte massa (maximum 1.000 kg voor de driewielers en maximum 450 kg voor de vierwielers, exclusief het gewicht van de batterijen) en een geringere belasting van de openbare weg. Ook al komen deze voertuigen nog niet zo vaak voor op onze wegen, toch is het logisch om ze al op te nemen in de lijst van oplossingen die aan de werknemers geboden worden om over te schakelen naar het mobiliteitsbudget, want ze zouden kunnen voldoen aan de meeste mobiliteitsbehoeften van sommigen onder hen.
Openbaar vervoer
Voortaan kunnen de abonnementen op het openbaar vervoer voor verplaatsingen van de inwonende gezinsleden van de werknemer gefinancierd worden met het mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget zal ook de parkingkosten financieren in combinatie met het openbaar vervoer dat voor de woon-werkverplaatsingen gebruikt wordt.
Voetgangerspremies
De voetgangerspremie voor woon-werkverplaatsingen zal gelijkgesteld worden met duurzaam vervoer.

Momenteel is de voetgangerspremie gedeeltelijk of volledig vrijgesteld van belastingen op grond van artikel 38, §1, lid 1, 9°, c) van het WIB92 (vrijstelling ten belope van 250 EUR,
geïndexeerd tot 440 EUR voor aj. 2022). Ze is echter wel onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen.

Deze premie zal enkel in het kader van het mobiliteitsbudget ingevoerd worden en zal gelijk zijn aan het bedrag van de fietsvergoeding (0,24 EUR/km). De woon-werkverplaatsingen die met een (elektrische) step, hoverboard, rolschaatsen, rijtuigen voor personen met een beperkte mobiliteit, enz. afgelegd worden, kunnen op dezelfde manier vergoed worden.

De premie kan niet worden verleend voor louter privéverplaatsingen die te voet afgelegd worden.
Huisvestingskosten
Ook de huisvestingskosten, met name de huur en interesten van hypothecaire leningen voor de woning die zich binnen een straal van 5 kilometer van de gewoonlijke arbeidsplaats bevindt, worden gelijkgesteld met duurzame vervoermiddelen.

Tot hiertoe kan het mobiliteitsbudget besteed worden aan de betaling van de huur van een woning of appartement dicht bij het werk. Als de woning of het appartement in kwestie niet gehuurd maar gekocht wordt, kan het mobiliteitsbudget gebruikt worden voor de betaling van de interesten van de hypothecaire lening. De aflossing van het kapitaal komt niet in aanmerking.

In de toekomst zal de straal verruimd worden tot 10 kilometer. Bovendien zullen de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen eveneens in aanmerking komen en niet enkel de huur en interesten van die leningen.

Wie kan aanspraak maken op het mobiliteitsbudget?

De werkgever mag het mobiliteitsbudget enkel toekennen aan werknemers die effectief over een bedrijfswagen beschikken of daarvoor in aanmerking komen.

In dat laatste geval gaat het om de werknemers die deel uitmaken van een functiecategorie die recht geeft op een bedrijfswagen in het geldende bedrijfswagenbeleid van de werkgever.

Intussen is gebleken dat deze voorwaarde om tot een functiecategorie te behoren de mogelijkheid van de werknemers beperkt om gebruik te maken van het mobiliteitsbudget. Daarom wordt ze afgeschaft. Het mobiliteitsbudget zal dus niet langer gekoppeld zijn aan een specifieke functiecategorie. Het doorslaggevende element zal het bedrijfswagenbeleid van de werkgever zijn.

Totale jaarlijkse brutokost (TCO)

Het bedrag van het mobiliteitsbudget stemt overeen met de jaarlijkse brutokost van de bedrijfswagen voor de werkgever, met inbegrip van de fiscale en parafiscale lasten en de daarmee gepaard gaande kosten overeenkomstig het bedrijfswagenbeleid, zoals de kosten verbonden aan de financiering, de brandstofkosten, de solidariteitsbijdrage, waarop de werknemer recht heeft.

De totale jaarlijkse brutokost voor de werkgever met het oog op de financiering en het gebruik van een bedrijfswagen vormt wat men de “total cost of ownership” (TCO) noemt, na aftrek van elke persoonlijke bijdrage van de werknemer. De bepaling van deze TCO blijft nog altijd vrij ingewikkeld. Daarom zal de Koning de mogelijkheid krijgen om een formule te bedenken voor de berekening van het bedrag van het mobiliteitsbudget. Zodra deze formule vastligt, zal ze dus verplicht gebruikt moeten worden.

Verplichte keuze in de tweede pijler

De werkgever zal verplicht worden om minstens een aanbod binnen de 2e pijler (duurzaam vervoermiddel) te doen aan zijn werknemers. Thans is hij er niet toe gehouden om elk van de 3 pijlers aan te bieden.

Beroepsverplaatsingen

Wat als de bedrijfswagen (gefinancierd met behulp van het mobiliteitsbudget) gebruikt wordt voor beroepsverplaatsingen? Het antwoord op die vraag is nog altijd niet duidelijk.

Zo zal de werkgever de kosten voortvloeiend uit het gebruik van de bedrijfswagen voor beroepsdoeleinden mogen aftrekken van het mobiliteitsbudget; hij moet de werknemer dan echter vergoeden voor de kosten die deze laatste voor die verplaatsingen bewijst.

Milieuvriendelijke wagens

Vanaf 1 januari 2026 zullen enkel de volledig elektrisch aangedreven wagens nog als milieuvriendelijk beschouwd worden en in aanmerking komen voor de 1e pijler. De mogelijkheid om een wagen met een CO2-uitstoot onder een bepaalde grens te kiezen, wordt afgeschaft.

Deze verplichting om een voertuig zonder CO2-uitstoot te kiezen, zal gelden voor alle gemotoriseerde voertuigen die behoren tot de zachte mobiliteit, alsook voor de oplossingen inzake carpooling en autodelen en de diensten voor de verhuur van wagens met chauffeur.
 

Bron:  voorontwerp van wet houdende organisatie van de fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit