Interesse?

Wenst u meer nieuws, basisinformatie en sectorinformatie over arbeidsrecht, socialezekerheidsrecht en loonfiscaliteit?


Beperking aansprakelijkheid werknemer: een kleine herinnering

Commentaar op rechtspraak - 14/09/2021
-
Auteur(s): 
Terra Laboris


Bij vonnis van 22 april 2021 herneemt de arbeidsrechtbank van Luik (afd. Namen) de regels inzake aansprakelijkheid van de werknemer in geval van schade aan de bedrijfswagen die hem ter beschikking werd gesteld voor gemengd gebruik (professioneel en privé).

De feiten

Een vennootschap die actief is in de sector van machines, accessoires en verbruiksgoederen voor kantoren heeft in 2008 een vertegenwoordiger aangeworven.

In 2010 wordt hem een verwittiging gestuurd, waarbij de vennootschap hem verwijt dat hij de met het cliënteel gemaakte afspraken niet nakomt en waarbij hem een gebrek aan transparantie betreffende zijn tijdsgebruik wordt verweten.

Er volgt een tweede verwittiging met betrekking tot afwezigheden op het werk en de niet-naleving van de richtlijnen inzake wekelijkse verslagen.

Enkele weken later wordt hij ontslagen om dringende reden.

De vennootschap neemt vrij snel opnieuw contact met hem op na het ontslag, aangezien zij heeft kunnen vaststellen dat hij bedragen heeft ontvangen van klanten (verkopen van materiaal waarvoor voornamelijk voorschotten werden ontvangen).

De vennootschap stelt een procedure in tegen de betrokkene en eist de terugbetaling van deze sommen en van de schade aan het voertuig. Laatstgenoemde zal van zijn kant de dringende reden betwisten.

De twee zaken worden samengevoegd door de rechtbank.

De beslissing van de rechtbank

In haar vonnis onderzoekt de rechtbank in de eerste plaats de kwestie nopens de aansprakelijkheid van de werknemer, waarbij zij de beginselen van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 herhaalt, betreffende welke zij eraan herinnert dat het een dwingende regel bevat die afwijkt van het gemene recht.

De aansprakelijkheid van de werknemer is immers uitgesloten in geval van een niet-gewoonlijke lichte fout. De rechtbank verwijst hier naar een arrest van het arbeidshof van Bergen van 19 oktober 2009 (Arbh. Bergen, 19 oktober 2009, AR 21.235). De rechtspraak van het Hof van Cassatie en de rechtsleer betreffende de contractuele aansprakelijkheid van de werknemer worden herhaaldelijk in herinnering gebracht. Die moet worden beoordeeld in functie van verschillende criteria, namelijk de uitgeoefende functie, de bekwaamheden, de verantwoordelijkheden van de betrokkene alsook de activiteit en het profiel van de onderneming.

Tevens wordt rekening gehouden met de omstandigheden waarin de fout werd begaan. De rechtbank verwijst hier naar het arrest van het Hof van Cassatie van 24 december 1980 (Cass. 24 december 1980, AR 1134), volgens welk de uitvoering van de overeenkomst een zeer ruime draagwijdte heeft, die identiek is aan het begrip handelingen die worden verricht in de bediening van de aangestelde zoals bedoeld in artikel 1384, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtsleer heeft daaruit afgeleid dat de ongeoorloofde handeling tot de functies van de aangestelde behoort, ongeacht of deze handeling werd verricht tijdens de duur van de functies en ongeacht of deze onrechtstreeks of occasioneel verband houdt met deze functies (de rechtbank citeert M. LAUVAUX, La responsabilité du travailleur, Kluwer, 2006, p 53).

De rechtbank herneemt eveneens het begrip zware fout: dat is de niet-opzettelijke fout die echter dermate grof en disproportioneel is dat zij daarvan onverschoonbaar is, waarbij het een fout betreft die niet zou worden begaan door een redelijk persoon. Volgens de rechtsleer (M. LAUVAUX hierboven) zijn het werkritme, de complexe werking van bepaalde machines, vermoeidheid, gebrek aan ervaring en beoordelingsfouten omstandigheden die in aanmerking moeten worden genomen.

Ten slotte verwijst het vonnis eveneens naar het begrip “lichte fout”, met betrekking tot welke het eraan herinnert dat, om de werknemer aansprakelijk te kunnen houden, deze een gewoonlijk karakter moet hebben. In tegenstelling tot de zware fout kan de gewoonlijke lichte fout gedefinieerd worden als de verschoonbare fout begaan door een normaal persoon geplaatst in normale feitelijke omstandigheden. Het criterium is dat van de normaal voorzichtige en bedachtzame persoon die in dezelfde feitelijke omstandigheden wordt geplaatst en een gelijkaardige kwalificatie heeft.

Onder de betwiste posten die voorkomen in de eis van de werkgever komt schade aan het voertuig voor waarvan de werkgever de terugbetaling vordert. Het bestaan van de schade wordt niet betwist. De werknemer is volledig aansprakelijk voor schade veroorzaakt in het kader van het gebruik van het voertuig voor privédoeleinden, waarbij de beperking van artikel 18 enkel van toepassing is voor schade veroorzaakt bij de uitvoering van het werk.

Aangezien de werknemer de omstandigheden van de ongevallen niet uiteenzet (twee ongevallen zijn duidelijk, gelet op de plaats van de schade aan het voertuig), besluit de rechtbank dat ze door hem ten laste moeten worden genomen, aangezien het voorvallen van de schade in het kader van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet bewezen is.

Wat de dringende reden betreft, herhaalt de rechtbank bovendien de wettelijke criteria, zowel met betrekking tot het begrip dringende reden als met betrekking tot de vereiste van nauwkeurigheid en de bewijslast.

Zij besluit haar beoordeling met het oordeel dat er fouten werden vastgesteld maar dat deze niet voldoende ernstig zijn om een ontslag zonder opzeggingstermijn of vergoeding te rechtvaardigen. Het is de opeenstapeling van verschillende feiten die aan de oorsprong ligt van het ontslag, maar de rechtbank bevindt zich in de onmogelijkheid om te bepalen welke meer bepaald ernstig zou zijn. De compenserende opzeggingsvergoeding is dus verschuldigd. De rechtbank willigt de vordering van de werknemer in die zin dus in en verduidelijkt de bedragen opnieuw.

Belang van de beslissing

Dit vonnis biedt de gelegenheid om terug te komen op het arrest van het Hof van Cassatie van 8 juni 2009 (Cass. 8 juni 2009, nr. C.08.0568.N), dat eraan herinnerd heeft dat de werknemer krachtens artikel 18, in geval van schade die door hem wordt veroorzaakt aan de werkgever of aan derden in de uitvoering van zijn overeenkomst, enkel aansprakelijk is voor zijn bedrog en zijn zware fout. Hij is slechts aansprakelijk voor zijn lichte fout indien die in zijn hoofde eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

Het Hof herinnert eraan dat deze bepaling de burgerlijke aansprakelijkheid van de werknemer die schade veroorzaakt aan zijn werkgever of aan derden bij de uitvoering van zijn werk beperkt en dat zij niet van toepassing is op de werknemer die schade aan zichzelf veroorzaakt. Wanneer de schade het gevolg is van een samenloop van fouten, waaronder die van het slachtoffer, kan de veroorzaker van de schade niet worden veroordeeld tot de volledige vergoeding van de schade die hij aan laatstgenoemde heeft veroorzaakt. Om het eventuele aandeel in de aansprakelijkheid van een derde in de schade die door een werknemer wordt geleden, te bepalen, moet de fout van de werknemer in aanmerking worden genomen (voor een commentaar op dit arrest, lees D. VAN STRIJTHEM en M. VAN DEN BUNDER, “De limieten van de beperkte burgerlijke aansprakelijkheid van de werknemer bij toepassing van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet”, R.A.B.G., 2010/14, p. 947).

Ten slotte moet een andere regel in aanmerking worden genomen, namelijk dat de schade die wordt veroorzaakt buiten de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet de toepassing meebrengt van de beperking van de aansprakelijkheid bepaald in artikel 18. Zoals in het becommentarieerde vonnis in herinnering werd gebracht, staat het aan de werknemer – die zijn aansprakelijkheid wil beperken – om aan te tonen dat de voorwaarden van deze beperking vervuld zijn, dit wil zeggen dat de schade zich heeft voorgedaan bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, die op identieke wijze wordt begrepen als artikel 1384, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Wanneer de werkgever het bestaan van schade inroept, moet hij van zijn kant het bewijs leveren van het oorzakelijk verband tussen de begane fout en de schade waarvan de vergoeding wordt gevorderd (zie in die zin Arbh. Brussel, 1 april 2014, AR 2013/AB/875).
Bron:  Arbrb. Luik (afd. Namen), 22 april 2021, AR 11/2.043/A en 20/138/A