Interesse?

Wenst u meer nieuws, basisinformatie en sectorinformatie over arbeidsrecht, socialezekerheidsrecht en loonfiscaliteit?


Moet de ontslagbrief op grond van artikel 35 arbeidsovereenkomstenwet de term “dringende reden” vermelden?

Commentaar op rechtspraak - 13/10/2021
-
Auteur(s): 
Terra Laboris


In een arrest van 19 mei 2021 heeft het arbeidshof van Brussel geoordeeld dat artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten niet de vereiste van de vermelding “dringende reden” in de ontslagbrief bevat, aangezien de vereisten inzake verduidelijking betrekking hebben op de reden zelf.

De feiten

Een arbeider werd in mei 2008 aangeworven door een onderneming voor ziekenvervoer. De aanwerving gebeurt mondeling.

Hij kreeg in november 2016 een waarschuwing voor als ‘ontoelaatbaar’ bestempelde uitspraken op Facebook over zijn leidinggevende. Enkele dagen later werd hem een tweede waarschuwing gestuurd, die als “laatste” werd gekwalificeerd, ten gevolge van een werkweigering.
Binnen de onderneming vinden uitwisselingen plaats over de gedane uitspraken.
Uiteindelijk wordt de betrokkene ontslagen zonder opzeggingstermijn noch vergoeding.

De ontslagbrief verwijt hem grove taal te hebben gebruikt alsook bedreigingen te hebben geuit en een gebrek aan respect te hebben getoond ten aanzien van zijn verantwoordelijke. De brief eindigt met de volgende woorden: “Beschouw de aangetekende brieven die u reeds ontving, wij menen dat al deze tekortkomingen van dien aard zijn dat zij elke verdere samenwerking tussen u en de werkgever onmiddellijk en definitief onmogelijk maken en een onmiddellijke verbreking van de overeenkomst zonder opzegging noch vergoeding rechtvaardigen (…)” (sic.)

Ten gevolge van deze beëindiging wordt een compensatoire opzeggingsvergoeding gevorderd door de advocaat van de werknemer en worden de concrete redenen van het ontslag gevraagd, overeenkomstig cao nr. 109.

In haar antwoordbrief verduidelijkt de vennootschap dat “wij u immers in de ontslagbrief houdende opzegging om dringende redenen en met onmiddellijke ingang van de arbeidsovereenkomst die wij gesloten hadden, zeer concreet de redenen en gronden hebben uiteengezet die aan de oorsprong lagen van uw ontslag. Bij deze kunnen wij dan ook enkel de redenen en gronden herbevestigen die in deze brief werden uiteengezet”.

De werknemer stelt een geding in bij de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel, die uitspraak doet bij vonnis van 11 oktober 2018. Zij veroordeelt de vennootschap tot betaling van de compensatoire opzeggingsvergoeding en een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.

De vennootschap tekent hoger beroep aan.

De beslissing van het hof

Het hof herhaalt uitgebreid de regels die het ontslag om dringende reden regelen, namelijk de gewone regels die worden vermeld in artikel 35 arbeidsovereenkomstenwet. Die moeten volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie in de ontslagbrief zodanig worden geformuleerd dat enerzijds de partij die het ontslag heeft gekregen exact kennis kan hebben van de feiten die haar worden verweten en anderzijds de rechter de ernst van de in de brief aangevoerde reden kan beoordelen en kan controleren of het dezelfde reden betreft als die welke voor hem worden ingeroepen. Er wordt verwezen naar verschillende arresten, waaronder dat van 24 maart 1980 (Cass., 24 maart 1980, Pas., 1980, I, p. 900)). Het hof verduidelijkt nog dat het geschrift kan worden aangevuld door een verwijzing naar andere elementen, met behoud van de fundamentele voorwaarde dat dit geheel toelaat de redenen die het ontslag rechtvaardigen met zekerheid en nauwkeurig te beoordelen.

Het hof herneemt een arrest van 16 december 1970 (Cass., 16 december 1970, Pas., 1971, I, p. 369), waarin de voorziening de uitspraak van de Werkrechtersraad van beroep van Bergen verweet dat hij een ontslagbrief die verwees “naar de gebeurtenissen van deze ochtend” als voldoende nauwkeurig had aanvaard. Volgens het Hof van Cassatie verwijst deze brief ondubbelzinnig naar een politieonderzoek dat de aan de werkneemster ten laste gelegde feiten aan het licht heeft gebracht, waarbij deze verwijzing de rechter toelaat de werkelijkheid en de ernst van de ingeroepen redenen te beoordelen. Er wordt hier verwezen naar een studie van de rechtspraak (B. PATERNOSTRE, Recueil de jurisprudence. Le motif grave, Wolters Kluwer, 2014, blz. 192 e.v.).

Het hof benadrukt dat de rechtspraak de vereiste van nauwkeurigheid van de dringende reden geval per geval benadert, dit wil zeggen dat moet worden bepaald of deze voldoende nauwkeurig werd omschreven.

In casu geeft de brief de werknemer kennis van zijn ontslag zonder opzeggingstermijn noch vergoeding.

Er komt een bijkomend punt bij, namelijk dat de brief eveneens verwijst naar een “waarschuwing” in het begin van de brief. Volgens het hof betreft het een materiële vergissing die de draagwijdte ervan niet wijzigt en kan de ontstentenis van uitdrukkelijke vermelding van de term “dringende reden” het ontslag om dringende reden niet ongeldig maken, aangezien artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet niet vereist dat deze vermelding uitdrukkelijk voorkomt in de brief opdat een werkgever een werknemer zou kunnen ontslaan op grond van deze bepaling zonder opzeggingstermijn noch vergoeding.

Volgens het hof is de reden geïdentificeerd: het betreft het feit dat de werknemer op een bepaalde datum zijn verantwoordelijke op een ontoelaatbare manier heeft gecontacteerd met gebruik van grove taal en bedreigingen en dat hij blijk heeft gegeven van een gebrek aan respect ten aanzien van een gewestelijke verantwoordelijke en zijn collega’s op het terrein. Hoewel de tweede grief weinig nauwkeurig is (namelijk of het een andere grief betreft die zich op een ander ogenblik heeft voorgedaan of, integendeel, een herhaling van de reden die werd uitgedrukt in het kader van de vorige grief), blijkt uit de gegevens van het dossier dat de ontslagbrief voldoende nauwkeurig is om de werknemer toe te laten de verweten reden te kennen en om het hof toe te laten de ernst van de daarin aangevoerde reden te beoordelen en na te gaan of die overeenstemt met de reden die voor hem werd ingeroepen.

Het onderzoekt twee e-mails die werden overgelegd door de vennootschap ter illustratie van de grief die in de tijd werd geïdentificeerd. Er wordt een fout aanvaard, maar die heeft volgens het hof niet het karakter van een dringende reden in de wettelijke zin, zelfs indien er vroegere waarschuwingen bestaan waarnaar wordt verwezen in de ontslagbrief. Die situeren zich voor een van hen zes maanden vóór het ontslag en voor twee anderen veel eerder.

Naar aanleiding van deze beoordeling van de begane fouten onderzoekt het hof verklaringen die de door artikel 961/2 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven vormvereisten niet naleven. Het herinnert eraan dat deze bepaling in het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoerd door een wet van 16 juli 2012, die tot doel heeft de overdreven omslachtigheid en traagheid van de gerechtelijke procedures met oproeping van getuigen te vermijden. Betreffende de bewijswaarde van deze verklaringen wordt aanvaard dat de rechter deze soeverein moet beoordelen rekening houdend met alle elementen die nuttig zijn voor de geloofwaardigheid ervan. Aangezien de door de bepaling bepaalde formaliteiten niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, belet de ontstentenis van een vereiste vermelding de rechter niet om rekening te houden met deze verklaringen, op voorwaarde dat hij de redenen vermeldt waarom hij ze toch geloofwaardig acht terwijl ze niet aan alle gestelde voorwaarden voldoen. Het hof herinnert er eveneens aan dat dit beginsel voortaan terug te vinden is in de artikelen 8.4, lid 4 en 8.5 van het Burgerlijk Wetboek.

Het wijst er in casu op dat deze verklaringen getypt zijn en dat de voorgeschreven vormvereisten bovendien niet nageleefd zijn (ontbreken van identiteitskaart en precisering met betrekking tot de woonplaats). De feiten die zij vermelden zijn dus geenszins bewezen en het hof beslist er geen rekening mee te houden bij de beoordeling van de ernst van de reden.

Wat tot slot het kennelijk onredelijk ontslag betreft, verwerpt het hof de vordering tot burgerlijke sanctie van twee weken loon, gelet op artikel 2, § 4 van cao nr. 109, dat bepaalt dat deze niet van toepassing is wanneer artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt ingeroepen, aangezien van de werkgever reeds verlangd wordt dat hij nauwkeurig de redenen vermeldt die zijn beslissing rechtvaardigen. Wat de grond van de zaak betreft, besluit het hof dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is, waarbij het een fout van de werknemer aanvaardt in de gedane uitlatingen ten aanzien van zijn verantwoordelijke.

Belang van de beslissing

In deze beslissing moet ongetwijfeld de kwestie van de vermelding “ontslag om dringende reden” worden aangehaald.

Het hof besluit dat, hoewel de wet voor deze wijze van ontslag een zeker formalisme vereist, deze vermelding niet vereist is door artikel 35 arbeidsovereenkomstenwet. Het ontslag heeft in casu dat karakter, aangezien de werkgever enerzijds heeft verduidelijkt dat hij zonder opzeggingstermijn en -vergoeding ontsloeg en hij anderzijds de redenen ter staving van zijn beslissing voldoende nauwkeurig heeft ingeroepen (in ieder geval één van de redenen).

Hoewel deze conclusie kan verrassen, stemt ze niettemin overeen met de vereisten van nauwkeurigheid die voorkomen in de wetsbepaling, aangezien de debatten betreffende de vermeldingen die de aangetekende brief moet bevatten, hoofdzakelijk de verduidelijking van de redenen zelf betreffen (en niet de vermelding van hun aard van “dringende reden”).

Het hof heeft de verschillende interpretaties die werden gemaakt op het niveau van de feitenrechters betreffende de naleving van deze vereiste van nauwkeurigheid in herinnering gebracht, waarbij sommige beslissingen streng zijn terwijl andere soepeler zijn bij de beoordeling van de omschrijving van de redenen.

We merken op dat zo werd geoordeeld door het arbeidshof van Bergen (Arbh.Bergen, 28 maart 2017, AR 2016/AM/92) dat een opsomming van grieven die geen enkele vermelding bevat van datum noch van identiteit van de personen waarop de vastgestelde tekortkomingen betrekking hebben, niet toelaat, zelfs bij benadering, de feiten in de tijd en de ruimte te situeren, noch de ernst ervan te beoordelen, zowel voor de rechter als voor de bestemmeling van de kennisgeving, die dus niet voldoet aan de vereiste van nauwkeurigheid van de redenen. Bijgevolg is het ontslag onregelmatig.

Hetzelfde hof had eerder geoordeeld dat hoewel het niet noodzakelijk is dat de kennisgeving de plaats vermeldt waar de beweerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan, noch dat zij de datum vermeldt waarop ze zich heeft voorgedaan of ter kennis werd gebracht van de persoon die het ontslag heeft gegeven, dit niet wegneemt dat de feiten zodanig gekwalificeerd moeten worden dat de werknemer kennis kan nemen van wat hem wordt verweten zonder enige mogelijke ondubbelzinnigheid en hij in staat zou zijn om zich te verdedigen door zijn houding te rechtvaardigen en/of door het tegenbewijs te leveren en dat de rechter bovendien kan nagaan of de ingeroepen feiten het zwaarwichtige karakter vertonen dat vereist is om de onmiddellijke verbreking van de arbeidsrelaties te rechtvaardigen. De onnauwkeurigheid van de kennisgeving kan niet worden vervangen door getuigenissen (Arbh.Bergen, 12 april 2016, AR 2015/AM/315).

Tot slot moet volgens het arbeidshof van Brussel de verduidelijking van de redenen die wordt opgelegd aan de auteur van de beëindiging niet op een zodanig niveau worden gebracht dat zij verder gaat dan de dubbele doelstelling ervan, namelijk enerzijds de partij aan wie een dringende reden ter kennis wordt gebracht toe te laten geïnformeerd te worden over de oorzaken van de beëindiging en, anderzijds, de rechter in staat te stellen de werkelijkheid van de ernst ervan te beoordelen en na te gaan of de voor hem ingeroepen redenen overeenstemmen met deze die zijn vermeld in de kennisgeving. Hoewel een vage uiteenzetting van een algemeen gedrag niet volstaat, moeten de feiten dus niet tot in de kleinste details worden beschreven en evenmin een volledige argumentatie bevatten die bestemd is om ze te bewijzen en de ernst ervan te rechtvaardigen. Dit dubbele bewijs moet worden geleverd in het kader van het gerechtelijk debat (Arbh. Brussel, 29 september 2015, AR 2013/AB/983).

Bron:  Arbh. Brussel, 19 mei 2021, AR 2019/AB/24