Interesse?

Wenst u meer nieuws, basisinformatie en sectorinformatie over arbeidsrecht, socialezekerheidsrecht en loonfiscaliteit?


Welke sociale bescherming hebben de DELIVEROO-koeriers?

Commentaar op rechtspraak - 16/12/2021
-
Auteur(s): 
Terra Laboris


Bij vonnis van 8 december 2021 besluit de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel dat de DELIVEROO-koeriers een beroepsactiviteit uitoefenen en dat het statuut van werknemer in het kader van de deeleconomie niet op hen kan worden toegepast. De rechtbank is bovendien van oordeel dat zij in de arbeidsverhouding niet voldoende aanwijzingen vindt die toelaten te besluiten tot het bestaan van een ondergeschikt verband.

Voorgeschiedenis

De arbeidsauditeur van Brussel heeft de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt met een verzoekschrift van 13 december 2019 om te laten vaststellen dat de vennootschap DELIVEROO in overtreding was met verschillende wettelijke bepalingen die gesanctioneerd worden door het Sociaal Strafwetboek, met name dat zij heeft nagelaten aan de RSZ de aangifte te bezorgen ter staving van het bedrag van de sociale bijdragen die verschuldigd zijn voor 115 werknemers. Daarbij kwamen de niet-betaling van de socialezekerheidsbijdragen en de niet-betaling van het loon, waarbij die laatste inbreuk voortvloeide uit artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon.

In het kader van de procedure vordert de RSZ de voorlopige veroordeling van de vennootschap tot een bedrag van ongeveer 293.000 euro, te vermeerderen met het toebehoren. Tussenkomende partijen hebben zich bij de zaak gevoegd, namelijk hoofdzakelijk een groot aantal koeriers en representatieve werknemersorganisaties (ACV, ABVV, ACV Vervoer en Communicatie en de Belgische Transportbond).

Het vonnis van de rechtbank

De rechtbank herinnert in eerste instantie aan de werking van het DELIVEROO-platform, dat verloopt via het proces van een bestelling, de bevestiging en de aanvaarding ervan, de betaling, de bepaling van de wijze van ophaling, het voorstel tot levering aan een koerier, de aanvaarding door laatstgenoemde van de levering en de levering zelf.

De rechtbank neemt aan dat volgens de vennootschap momenteel bijna drieduizend koeriers met haar samenwerken in België, aangezien deze sinds 2015 actief is. Er zijn drie statuten beschikbaar: dat van zelfstandige, dat van student-zelfstandige en dat van werknemer die werkt in het kader van de deeleconomie. Deze laatste formule heeft betrekking op meer dan 80 % van hen.

Na het onderzoek dat sinds oktober 2017 werd gevoerd door het arbeidsauditoraat, dat destijds een ambtshalve strafdossier had geopend, te hebben hervat, benadrukt de rechtbank dat dit heeft toegelaten de verklaringen van talrijke koeriers tijdens hun verhoor door de RSZ te hernemen. (verhoren op verzoek van het arbeidsauditoraat en betreffende hun arbeidsvoorwaarden: organisatie van het werk, organisatie van de arbeidstijd enz.). De rechtbank herneemt de conclusie ervan, namelijk dat de verzamelde elementen een arbeidsverhouding in loondienst aantonen, vandaar de vervolgingen voor de hoger vermelde inbreuken.

Zij onderzoekt vervolgens verschillende ontvankelijkheidskwesties en onderzoekt de zaak ten gronde en herhaalt de beginselen met betrekking tot de kwalificatie van de aard van de arbeidsverhouding in het Belgische recht. Daaronder bevinden zich uiteraard de beginselen die vervat zijn in de wet betreffende de aard van de arbeidsverhoudingen (dit zijn de bepalingen 328 en volgende van de programmawet (I) van 27 december 2006).

De rechtbank herneemt, na de algemene criteria van artikel 333, § 1 (wil van de partijen, vrijheid van organisatie van de arbeidstijd, vrijheid van organisatie van het werk en mogelijkheid om een hiërarchische controle uit te oefenen), de vermoedens van arbeidsovereenkomst die bij wet zijn vastgesteld, die in de programmawet van 2006 werden ingevoegd door een andere programmawet van 25 augustus 2012.

Het betreft in casu het goederenvervoer voor rekening van derden (PC nr. 140). Artikel 337/1, § 1 van de wet bepaalt thans dat er een vermoeden bestaat betreffende de arbeidsverhoudingen in deze sector (alsook in andere sectoren zoals bouw, schoonmaak enz.). De arbeidsverhoudingen worden dus vermoed, tot bewijs van het tegendeel, te zijn uitgevoerd in het kader van een arbeidsovereenkomst wanneer uit de analyse van de arbeidsverhouding blijkt dat meer dan de helft van de gedefinieerde criteria vervuld zijn. Er zijn negen voorwaarden. Het vermoeden is weerlegbaar en kan worden weerlegd met alle middelen van recht, onder meer op grond van de algemene criteria (artikel 337/2, § 2).

In deze sector werd op 29 oktober 2013 een koninklijk besluit genomen. De rechtbank herneemt de lijst van de specifieke criteria die het bevat.

Vervolgens wordt de kern van het geschil behandeld, namelijk of de koeriers mogen werken in het kader van de deeleconomie, waarbij de vennootschap de rechtbank verzoekt voor recht te zeggen dat zij zodoende geen beroepsactiviteit uitoefenen die kan worden geherkwalificeerd. Dit zou de ongegrondheid van de vorderingen tot gevolg hebben.

De rechtbank herneemt bijgevolg het onderzoek van de programmawet van 1 juli 2016, die de eerste wetgevende tussenkomst was in dat kader, waarbij het erom ging “uit een grijze zone activiteiten en inkomsten te halen die vaak aan elke controle en aan elke belasting ontsnappen”. De zogenaamde ‘De Croo’-wet beoogde zo een duidelijk fiscaal, sociaal en administratief statuut te creëren, zowel voor de gebruikers als voor de aanbieders van de deeleconomie.

De oorspronkelijke bepalingen werden gewijzigd door de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie, een wet die betrekking heeft op de sectoren van het verenigingswerk, de occasionele diensten tussen burgers en de deeleconomie. De gevolgen ervan op fiscaal en sociaal vlak worden hernomen, waarbij de rechtbank vrij snel komt tot het arrest dat op 23 april 2020 werd geveld door het Grondwettelijk Hof (G.H., 23 april 2020, nr. 53/2020), dat heeft besloten tot de vernietiging van de artikelen 28 tot 39 van deze wet van 18 juli 2018 in zoverre zij van toepassing zijn op de dienstverleners via erkende elektronische platformen, waarbij het hof de wet uiteindelijk in haar geheel vernietigt. Hierdoor werd de regeling volledig onwerkzaam.

De gevolgen van de vernietigde bepalingen bleven echter behouden voor de geleverde prestaties tot 31 december 2020. Aangezien de strafbare periode begint op 1 februari 2018, merkt de rechtbank op dat de bepalingen die toen nog steeds van kracht waren, van toepassing blijven.

De rechtbank onderzoekt vervolgens de situatie van de koeriers en besluit dat de concrete prestatievoorwaarden niet toelaten te beschouwen dat zij onder deze gunstige regeling, namelijk de deeleconomie, vallen. Het moet immers gaan om diensten die worden geleverd aan derden en niet om de levering van goederen. Deze diensten moeten worden verricht buiten de uitoefening van een beroepsactiviteit en mogen enkel aan particulieren worden verstrekt. Bovendien moeten ze uitsluitend worden verstrekt in het kader van een overeenkomst gesloten via een erkend elektronisch platform. Om al deze redenen besluit de rechtbank dat de door de koeriers ontvangen inkomsten deze regeling niet kunnen genieten. Hieruit vloeit voort dat deze koeriers dus wel degelijk een beroepsactiviteit uitoefenen ongeacht hun statuut en los van de hoogte van hun inkomsten.

Bijgevolg moeten de regels van de programmawet van 27 december 2006 weer worden opgenomen en moeten de voorwaarden voor de uitoefening van de activiteiten die door de koeriers worden verricht in het kader van een vervoersactiviteit worden onderzocht. De rechtbank herinnert in dit opzicht aan het openbare-ordekarakter van de sociale zekerheid en de verplichting om aangesloten te zijn bij een of ander stelsel (werknemers of zelfstandigen).

Zij bespreekt de specifieke criteria die in casu moeten worden toegepast. Na al deze criteria te hebben overlopen, komt zij tot de conclusie dat voldaan is aan zes van de acht criteria, zodat de prestaties van de koeriers tot bewijs van het tegendeel vermoed worden te worden uitgevoerd in het kader van een arbeidsovereenkomst.

Aangezien dit vermoeden kan worden weerlegd, komt de rechtbank terug op de algemene criteria, die daartoe kunnen worden ingeroepen.

Aangezien het eerste de wil van de partijen is, stelt de rechtbank vast dat aangezien geschriften ondertekend werden, deze wil bestond in het sluiten van een overeenkomst die zelfstandige prestaties als voorwerp had. Dit criterium wordt echter onvoldoende geacht om het vermoeden te weerleggen.

Wat de vrijheid van organisatie van de arbeidstijd betreft, een criterium dat aanleiding heeft gegeven tot de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 18 oktober 2010, nr. S.10.0023.N), overloopt de rechtbank de verschillende specifieke stappen van de arbeidsprestatie: vrijheid om in te loggen op de toepassing, systeem van pre-reservering, betrokkenheid van een verbinding op het niveau van de arbeidsorganisatie, alsook meting van de arbeidstijd en rechtvaardiging ervan. Zij besluit daaruit dat de vrijheid om de arbeidstijd te organiseren niet beperkt lijkt in hoofde van de koeriers. Wat de vrijheid van organisatie van het werk betreft, dringt zich volgens de rechtbank dezelfde conclusie op, namelijk dat alle verklaringen in het dossier de vrijheid bevestigen om het werk te organiseren dat aan de koeriers wordt aangeboden.

Ten slotte, wat de mogelijkheid betreft om een hiërarchische controle uit te oefenen, een criterium waarvoor het Hof van Cassatie eveneens is tussengekomen (Cass., 2 februari 2015, nr. S.13.0117.F, Cass. en 4 februari 2013, nr. S.11.0051.F en S.11.0154.F o.m.) neemt de rechtbank aan dat het essentiële element van de hiërarchische macht de mogelijkheid is om sancties op te leggen in geval van niet-naleving van de gegeven instructies, waarbij zij voor dit aspect van de arbeidsverhouding eveneens put uit de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie (Fr. Cass. (sociale kamer), 4 maart 2020, nr. 374 – betreffende UBER). In casu blijkt volgens de rechtbank niet dat er precieze instructies worden gegeven aan de koeriers noch de mogelijkheid om sancties op te leggen. Er is dus geen enkel element dat de concrete uitoefening van een hiërarchische macht aantoont.

De algemene conclusie is dus dat hoewel uit het onderzoek van de acht specifieke criteria vervat in het koninklijk besluit van 29 oktober 2013 “een sterke economische ondergeschiktheid” van de koeriers ten opzichte van de vennootschap is gebleken, het onderzoek van de vier algemene criteria de ontstentenis van juridisch ondergeschikt verband bevestigt, zodat het vermoeden dat wordt aangetoond door de aanwezigheid van de specifieke criteria in casu moet worden beschouwd als weerlegd en niet kan worden besloten tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

Ten slotte antwoordt de rechtbank zeer kort op een argument afgeleid uit artikel 3, 5° van het koninklijk besluit van 28 november 1969, dat het socialezekerheidsstelsel van de werknemers heeft uitgebreid tot de personen die goederenvervoer, dat hen wordt opgedragen door een onderneming, verrichten door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de uitbater van die onderneming en voor die uitbater, en dit om de reden dat … de koeriers eigenaar zijn van hun fiets of scooter.

Belang van de beslissing

Het beroep op de “niche” van de deeleconomie wordt veroordeeld door dit vonnis, een conclusie die uiteraard moet worden opgelegd, aangezien de uitgeoefende activiteit een beroepsactiviteit is en geen occasionele activiteit, zoals de wetgever ze heeft willen beogen wanneer hij dit uitzonderingssysteem heeft ingevoerd, en die bijzondere gevolgen heeft op sociaal en fiscaal vlak.

De activiteit is dus een beroepsactiviteit die moet kaderen in een activiteit als werknemer of zelfstandige. De methode die door de rechtbank werd gebruikt om te bepalen welke van de twee beroepsstatuten moest worden aangenomen, is om te vertrekken van de specifieke criteria van de activiteit van de sector en deze vervolgens te onderzoeken in het licht van de algemene criteria van de wet van 27 december 2006.

Het is bekend dat de wetgever door deze programmawet is tussengekomen om het kader van de arbeidsprestatie in loondienst te bepalen. Hij heeft 4 algemene criteria bepaald en voor bepaalde sectoren (bedoeld in artikel 337/2, § 1) een weerlegbaar vermoeden van arbeidsovereenkomst, waarbij § 2 verduidelijkt dat de in artikel 337/1 bedoelde arbeidsverhoudingen, tot bewijs van het tegendeel, vermoed worden te worden uitgevoerd in het kader van een arbeidsovereenkomst wanneer uit de analyse van de arbeidsverhouding blijkt dat meer dan de helft van 9 criteria vervuld zijn. Deze hebben betrekking op (i) het financieel of economisch risico, (ii) de aansprakelijkheid en de beslissingsmacht met betrekking tot de financiële middelen van de onderneming, (iii) de beslissingsmacht met betrekking tot het aankoopbeleid van de onderneming, (iv) de beslissingsmacht met betrekking tot het prijsbeleid van de onderneming, (v) de aard van de verbintenis met betrekking tot het overeengekomen werk (middelen- of resultaatsverbintenis), (vi) de waarborg van de betaling van een vaste vergoeding, (vii) de mogelijkheid om persoonlijk en vrij aangeworven personeel te hebben of in dienst te nemen of zich te laten vervangen voor de uitvoering van het overeengekomen werk, (viii) het niet verschijnen als een onderneming ten aanzien van andere personen of haar medecontractant of hoofdzakelijk of gewoonlijk te werken voor één medecontractant en (ix) de plaats van uitoefening alsook de eigendom (of financiering) van het ter beschikking gestelde materiaal.

De bepaling verduidelijkt dat deze criteria elementen moeten bevatten die verband houden met een sociaaleconomische afhankelijkheid of een juridische ondergeschiktheid.

De specificiteiten van bepaalde sectoren hebben de Koning vervolgens ertoe gebracht verder te gaan en duidelijkere en strengere regels te bepalen in bepaalde sectoren, waaronder die van het personen- en goederenvervoer voor rekening van derden (hetgeen in casu het geval is, aangezien het goederenvervoer betreft). Zo is een koninklijk besluit van 9 oktober 2013 tussengekomen, genomen in uitvoering van deze bepaling, wat de aard van de arbeidsverhoudingen betreft die zich situeren in het kader van de uitvoering van de activiteiten die onder het toepassingsgebied vallen van het paritair subcomité voor het wegvervoer en de logistiek voor rekening van derden (andere maatregelen werden genomen voor andere sectoren). Dit heeft de bovenstaande criteria vervangen door 8 verfijnde criteria. De vereiste dat deze criteria elementen moeten bevatten die verband houden met een sociaaleconomische afhankelijkheid of een juridische ondergeschiktheid, wordt niet gewijzigd.

Hoewel het vonnis in casu uitgebreid de verschillende stappen en modaliteiten van de arbeidsprestatie onderzoekt, kan zich in de demarche ervan de vraag stellen nopens de daadwerkelijkheid van het wettelijke vermoeden, aangezien de gevolgen ervan worden geschetst door een terugkeer naar het algemene kader met onder meer de bewijsregels ervan.

Bovendien werd bij de invoering van het wettelijk vermoeden de nadruk gelegd op het belang van de sociaaleconomische afhankelijkheid, die net zoals de juridische ondergeschiktheid in aanmerking moet worden genomen. In casu werd deze sociaaleconomische afhankelijkheid door de rechtbank in aanmerking genomen en – terecht – als ‘sterk’ gekwalificeerd. Dit is een omstandigheid die teniet wordt gedaan door de terugkeer naar een vrij formele toepassing van de algemene criteria (waarvoor het Hof van Cassatie reeds is tussengekomen in sectoren die niet gedekt zijn door een vermoeden, onder meer wat de vrijheid betreft om werk te aanvaarden, dat – eens dit aanvaard werd – niet bepaalt dat er daardoor geen gezag kan zijn in de uitvoering).

Het vonnis verwijst de koeriers dus naar het sociaal statuut van de zelfstandigen.

Deze beslissing is zeker niet definitief en de discussie is nog lang niet gesloten. Op 9 december heeftNicolas Schmit, Europees commissaris voor Werkgelegenheid, een voorstel van richtlijn op de rails gezet om digitale platforms zoals Uber en Deliveroo een ‘vermoeden van arbeid in loondienst’ voor alle werknemers die gebruik maken van hun diensten op te leggen. Dit is het eerste voorstel voor een richtlijn die van belang is voor de werkgelegenheid van de Europese instantie.

Wordt dus vervolgd ...

Bron:  Arbrb. Brussel (Fr.), 8 december 2021, AR 19/5.070/A